De usted-vorm van de gebiedende wijs is dezelfde als die van de subjuntivo.
Kom! ¡Venga!
Ook in de ontkennende vorm:
Ga niet! ¡No vaya!
Lientje heeft al een tijdje Spaanse les. Ze is naar Spanje gegaan om nog meer Spaans te leren. Doe je mee?
.
Aangepast zoeken
zondag 4 april 2010
Gebiedende wijs, ontkennend
Tú-vorm
Zeg dat niet! ¡No lo digas!
De ontkennende tú-vorm van de imperativo maak je door de tú-vorm van de subjuntivo (tegenwoordige tijd) te gebruiken.
Ren niet! ¡No corras!
Wees niet dom! ¡No seas tonto!
Zeg dat niet! ¡No lo digas!
De ontkennende tú-vorm van de imperativo maak je door de tú-vorm van de subjuntivo (tegenwoordige tijd) te gebruiken.
Ren niet! ¡No corras!
Wees niet dom! ¡No seas tonto!
zaterdag 3 april 2010
Gebiedende wijs, onregelmatig
Tú-vorm
decir-di
hacer-haz
ir-ve
poner-pon
salir-sal
ser-sé
tener-ten
venir-ven
decir-di
hacer-haz
ir-ve
poner-pon
salir-sal
ser-sé
tener-ten
venir-ven
Gebiedende wijs, imperativo
Gebiedende wijs tú-vorm
Haal de s van de tú-vorm van de tegenwoordige tijd.
Abre la puerta.
Come más.
Estudia cada día.
Corre.
Haal de s van de tú-vorm van de tegenwoordige tijd.
Abre la puerta.
Come más.
Estudia cada día.
Corre.
donderdag 1 april 2010
De lijdende vorm
Bij de lijdende vorm is het onderwerp onbekend. M.a.w. Je weet niet wie de handeling uitvoert.
Se habla español en Argentina.
Aquí se sirve cerveza.
En el hotel no se sirven cava ní jerez.
Se hablan castellano y catalán en Barcelona.
Lees voor de talen van Spanje dit informatieve artikel.
Se habla español en Argentina.
Aquí se sirve cerveza.
En el hotel no se sirven cava ní jerez.
Se hablan castellano y catalán en Barcelona.
Lees voor de talen van Spanje dit informatieve artikel.
Persoonsgebonden a
Dit kennen we in het Nederlands niet:
Als het lijdend voorwerp (complemento directo) een persoon of een huisdier is, dan komt er een a voor.
Amo a mi gato.
La niña escucha a la profesora.
Lavo a mi perro cada mes.
Als het lijdend voorwerp (complemento directo) een persoon of een huisdier is, dan komt er een a voor.
Amo a mi gato.
La niña escucha a la profesora.
Lavo a mi perro cada mes.
Werkwoorden op -ar
Ayudar - Yo ayudo a mi madre cada día.
Trabajar - Tú trabajas en Madrid.
Cantar - María siempre canta.
Pasar - Nosotros pasamos.
Caminar - Vosotros camináis.
Viajar - Ustedes viajen mucho.
Trabajar - Tú trabajas en Madrid.
Cantar - María siempre canta.
Pasar - Nosotros pasamos.
Caminar - Vosotros camináis.
Viajar - Ustedes viajen mucho.
Abonneren op:
Posts (Atom)